INLEIDING TOT NIEUWVEEN: ‘TERUG NAAR HET GEEREIJNT’
Een genealogisch onderzoek
naar de Nieuwveense Families Van de(r) Geer
VOORWOORD:
Je bent
vrienden, je bent beiden geboren en opgegroeid in Voorhout en hebt dezelfde
achternaam, maar of er ook een familieband bestaat kan niemand je zeggen. Dat
wekt je nieuwsgierigheid op! Daarom besluit je in 1983 zelf maar eens naar het
antwoord op zoek te gaan. Met geen mogelijkheid had ik toen kunnen bedenken dat
dit zou gaan resulteren in het openen van deze site en wat nog belangrijker is
in nieuwe vriendschapsbanden. Juist toen de eerste resultaten in 1985 door mij
waren uitgewerkt en gepubliceerd in een boek met de titel: "Terug naar het
Geereijnt", bleek dat ook een andere naamgenoot, John van de Geer, op zoek was gegaan naar de wortels van zijn
familie. Nog interessanter werd het onderzoek toen bleek dat zijn voorouders
Van de Geer en mijn voorouders Van der Geer uit dezelfde plaats bleken te
komen, echter een heuse familieband hebben we (nog) niet echt kunnen aantonen.
Dat deze
site is geopend is vooral aan John te danken die veel van zijn vrije tijd in
het genealogisch onderzoek heeft gestoken. Echter de naam van Klaas Kramer,
getrouwd met Gon van de Geer, moet zeker ook genoemd worden. Hij heeft de basis
gelegd voor de digitale verwerking van de gegevens. En dat niet alleen door
alle gegevens kritisch na te lopen, maar ook door het toevoegen van nieuwe
gegevens. Het laat zich raden dat wij, John, Klaas en ondergetekende, veel
plezier beleven aan het onderzoek naar het wel en wee van onze voorouders. Een
plezier dat we door middel van deze site aan u proberen over te brengen.
Turijn (Italië), april 2004
Leo van
der Geer
INHOUDSOPGAVE:
1. Verklarende Afkortingen
2. Overzicht van voorkomende maten en gewichten Geldstukken
3. Verkenningen in het Geereijnt:
3.1. Nieuwveen en de venen De Geer
3.2. De Naam Van de(r) Geer en zijn herkomst
3.3. De eerste sporen
3.4. Index op namen (bij ‘de eerste sporen’)
1. VERKLARING AFKORTINGEN:
Alle precieze data m.b.t. doop, trouw of overlijden zijn ontleend aan de Doop‑, Trouw‑ en Begrafenis‑boeken (DTB's) of Burgerlijke Stand (BS), ONA, ORA en WA m.b.t. Nieuwveen, en Zevenhoven zijn te vinden in SRM in Alphen a.d. Rijn, tenzij anders aangegeven
Bewaarplaatsen:
ANZ = Archief Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch
CBG = Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag
GAA = Gemeentearchief Amsterdam
GAG = Gemeentearchief Gouda
GAH = Gemeentearchief Haarlem
GAL = Gemeentearchief Leiden
GAZ = Gemeentearchief Zaanstad
HUA = Het Utrechts Archief (Rijks- en Gemeentearchief)
NA = Het Nationaal Archief, den Haag
RANH = Rijksarchief in Noord-Holland, Haarlem
SRM = Streekarchief ‘Rijnlands Midden’, Alphen a.d. Rijn
Archieven:
BS = Burgerlijken Stand
GB = Gaardersbescheiden
MS = Memorie van Successie
OAN = Oud Archief Nieuwveen, collectie Roovers (ondergebracht bij: SRM)
OAR = Oud Archief Rijnland, Leiden
ONA = Oud Notariële Archieven
ORA = Oud Rechterlijk Archieven
NA = Notarieel Archief (na 1811)
WA = Weeskamer Archieven
2. OVERZICHT VAN VOORKOMENDE
MATEN EN GELDSTUKKEN
In het
Rijnland, waar Nieuwveen onder viel, hanteerde men al vanaf de vroege
Middeleeuwen de volgende MATEN:
Vlaktemaat:
morgen = 0.85
ha
hond = 0.14
ha (6 hond = een Rijnlandse
morgen en 1 hond = 100
roeden)
roede = 14.19 m2 (600 roeden is 1 morgen)
Lengtemaat:
roede = 3.767
m (1 roede = 12 voet)
voet = 0.314 m
GELDSTUKKEN:
Vanaf de
dertiende eeuw werd door kooplieden in vele Noord-Europese steden, waaronder Amsterdam, het gebruik van
gouden munten, geslagen in Florence, als betaalmiddel ontdekt. Voor de handel
bleken deze munten zo goed te voldoen dat men overging tot het slaan van eigen
24 karaats gouden munten aanvankelijk geheel naar het model van de Toscaanse
Florijn. In Holland werden die munten guldens genoemd, een naam afgeleid van
guldin pfenninc. Anderhalve gulden of 30 stuivers was de rekeneenheid van 1521
tot en met 1601, daarna wordt een gulden of 28 stuivers als rekeneenheid
gebruikt tot de Franse overheersing in 1795. De “Caroli” gulden, die onder
Karel V vanaf 1521 in Thal werd geslagen (daarom werd anderhalve gulden een
daalder genoemd), kon zowel een gouden munt (2,91 gram) als een zilveren munt
(22,85 gram) zijn, beide aanvankelijk ter waarde van 20 en later van 28
stuivers. De stuiver was in zilver geslagen. De stuiver werd verder
onderverdeeld in 16 penningen. Van 1694-1800 betrof de gulden een zilveren munt
met een gewicht van 10,6 gram. Ook kende men de halve stuiver of Groot Vlaams,
die aanvankelijk in zilver maar later in koper werd geslagen. Weergave van een
bedrag gebeurde bijvoorbeeld als volgt: 29-6-7 hetgeen neerkomt op 29 gulden, 6
stuiver en 7 penningen. Gedurende de Franse bezetting van 1795 tot en met 1813
werd Holland door Frans geld overspoeld waarvan vooral de assignaten
(papiergeld) berucht werden wegens hun geringe waarde.Vanaf 1816 werd de
gulden, uitgedrukt in het huidige decimale stelsel, ingevoerd.
Om een
idee te hebben van de waarde (koopkracht) van een Caroli gulden of 20
stuiver moeten we ons realiseren, dat het dagloon in de 16e eeuw uiteen liep
van 4 in het begin van de eeuw, tot 16 stuiver aan het eind van de eeuw. Het
dagloon in de 17e en 18e eeuw was ongeveer 20 stuiver.
3. Verkenningen in het
Geereijnt:
3.1. NIEUWVEEN en de venen DE
GEER:
Op de landkaart van Nederland nemen wij u mee naar het uitgebreide plassengebied van Zuid‑Holland. Tussen de Langeraarse, Westeinder en Braassemer-plassen vinden we de dorpen Leimuiden, Nieuwveen en Aalsmeer. Nu we daar zijn aangeland gaan we terug in de tijd. Het gebied tussen deze dorpen maakte omstreeks 800 tot 900 na Chr. deel uit van uitgestrekte veenmoerassen, welke werden doorsneden door een aantal rivieren en stroompjes. In 985 verkreeg Dirk II, graaf van het Hollandse huis, van de Duitse keizer de rechten op deze veenwildernis. Hij liet stukken veenland afbakenen en gaf het ter ontginning aan vrije boeren, in ruil voor een jaarlijkse vergoeding, de zogenaamde recognitietijns. In een contract, de zogenaamde “cope” werden de rechten en de plichten van de pioniers gedetailleerd geregeld. De term “cope” vinden we daarom terug in namen van dorpen in het bovengenoemde gebied zoals het tegenwoordige Boskoop en Nieuwkoop. Ook de naam van het vroegere dorp Vriesecoop, dat ten noord-westen van het huidige Nieuwveen lag, verwees naar deze “cope”. Een strook veenland, gelegen tussen Aalsmeer, Calslagen en Vriesecoop, blijkt te worden aangeduid met de naam DE GEER. Dit veengebied werd in 1275 door graaf Floris V geschonken aan de abdij van Rijnsburg.[1] In de acte die over deze schenking gaat, lezen we:
Wij Florens heden ten dage
graaf van Holland erkennen voor getuigen dat wij tot het zielenheil van onze
voorouders graven van Holland en indien wij schuldig mochten zijn aan de abdij
van Rijnsburg voortvloeiend uit akkoorden laatstelijk gesloten tussen ons en
hen ter betaling van al hetgeen aan eerdergenoemde abdij toekomt vrijgevig in
eigendom overdragen al de gronden die door het volk worden genoemd GERE,
Calslagen, Aalsmeer en Vriezenkoop die zij tot nu toe slechts in bruikleen
hadden.[2]
Op een oude kaart, getekend door Jan Jansz. Douw en Steven van Brouckhuysen (1ste uitgave, 1647)[3] kunnen we nabij de gebieden Aelsmeer, Calslagen en Vriesecoop een strook land traceren, dat geert[4], d.w.z. aan één, of meer zijden schuin loopt (zie: rode pijl).
|
|
Dat
dit ‘geerend’ stuk(moeras)land vermoedelijk het betreffende veen De Gheer is,
kunnen we lezen in een scheidsrechterlijke uitspraak uit 29 augustus 1295,[5]
waar een nadere precisering over de ligging van dit gebied wordt gegeven. Hier
lezen we, dat de GERE of GHEER gelegen was tussen Aelsmeer en Calsloe
(Calslagen):
Allen den ghenen die desen brief sien of
hoeren lesen maken cont
ende openbare wi Jan van
Ambers Florens van den Tollen ridders
Hughe van Hillare ende
Godevart Willaems sone wat wi alstons onse
Here grave van Holland
beval ende hiet dat wi up onse siele en bi
onsen ghezvoren eeden
ondervinden souden een besiet van den vene
dat gheheeten is de GHEER
ende gheleghen is tusschen Aelsmaer en
Calfloe als van den ambochte ende van den rechte
ende van der tiende
ende van den eighen. Soe
segghe wi bi onsen eeden die wi ghezvoren
hebben omme de rechte
waerheit te regelhen van den voirseiden sacken
wat wi hebben ghevonden
dat die van oude Calfsloe sullen hebben tvaelf
vuirlinghe voer Drecht voert ………
Opvallend is voorts nog in deze scheidsrechterlijke
uitspraak het zinnetje “Soe segghe wi …… dat wi hebben ghevonden dat die van
oude Calfsloe sullen hebben tvaelf vuirlinghe voer Drecht voert”. Hieruit mogen we concluderen dat de
rivier de Drecht de (zuid)grens van het veen “De Geer” was. Dat er wordt
gesproken van twaalf voorlingen wil zeggen dat het gebied al ontgonnen was.[6]
De afmetingen van het te ontginnen land werden namelijk nauwkeurig bepaald met
behulp van een lange meetstok, de zogenaamde roede. De kavels, die zo
ontstonden, hadden een vaste breedte van 30 roeden en een lengte van 360 roeden
ofwel zes voorling. Een voorling was de afstand die men kon ploegen zonder de
ploeg te keren. Ontgonnen land was daarom meestal verdeeld in stukken van zes
voorlingen. Was de ontginning succesvol
dan werden de kavels dikwijls verlengd tot twaalf voorling, men spreekt daarom
wel van zes en twaalf voorlinghoeven.
Het op de landkaart van 1647 met geel ingekleurde veengebied is ongeveer 3.700 meter lang en 550 en 1.370 meter breed. De lengte komt dus in werkelijkheid uit op ongeveer zestien voorlingen in plaats van de in de scheidsrechterlijke uitspraak genoemde twaalf voorlingen. Echter de positie van het veengebied tussen Aalsmeer, Calslagen en de Drecht duiden er op dat het hier naar alle waarschijnlijkheid om het betreffende veengebied “De Geer” gaat. Dat de breedte niet overeenkomt met de normale breedte van ontgonnen kavels is niet zo verwonderlijk omdat het hier immers om een geerend stuk veenland handelde. Het betreffende veengebied is ongeveer 350 hectare groot.[7]
De eerste
vermelding van Nieuwveen, die we tegenkwamen, is uit de 2de helft
van de 13de eeuw. Gijbrecht (IV) van Amstel, geboren ca. 1235, heer
van Amstel, ridder, verkoopt met zijn broer Willem, proost van St. Jan te
Utrecht, een vrije watergang aan de ingezetenen van Kalslagen en Nieuwveen.[8]
In 1364
ontstond er onenigheid over de rechtmatigheid van deze verkoop, waarbij
Kalslagen en Nieuwveen in het gelijk werden gesteld. “Aalbrecht, bij Godst
genade Palsgraaf opten Rijn, Hertog in Beyeren, Ruwaart van Henegouwe, van
Hollandt, ende Zeland, ende Westfrieslant” tekent hiertoe een acte, waarbij
“Niewenveen ende Oude Kalslagen vrijdom van dijck en sluijs gelt” wordt
verleend “als sij hier voortijts dien gehad hebben”.[9]
Dat het
leven in het veengebied niet gemakkelijk was, blijkt uit belastingmaatregelen.
Zo werd in 1390 door Albrecht van Beieren de belastingheffing voor de bewoners
van Nieuwveen “om hunne armoede” van zestien naar acht riem terug gebracht. In
1395 bedroeg de heffing nog maar drie riem en werd toen zelfs verder naar één
riem terug gebracht. Albrecht’s zoon Willem VI verleende in 1406 de bewoners
van Nieuweveen zelfs algehele vrijstelling van belasting.[10]
Na het overlijden op van Willem VI op 31.5.1417 kwam Nieuweveen in handen van zijn enig kind Jacoba van Beieren, die op 18.8.1417 Nieuweveen te leen gaf aan haar thesaurier Jan Heer van Montfoort, die daarmee de nieuwe ambachtsheer van Nieuweveen wordt. Het gaat om een zgn. onsterfelijke leen, d.w.z. dat bij overlijden van Jan Heer van Montfoort Nieuweveen vervalt aan zijn nakomelingen.[11] Deze leenoverdracht vond plaats op een moment dat de oude partijstrijd tussen Hoeken (tegen Bourgondië) en Kabeljauwen (vóór Bourgondië) veranderde in een strijd om de rechten van Jacoba van Beieren op de opvolging.[12]
Met de Zoen van Delft op 19 juni 1428 kwam een einde aan de strijd en kon de Bourgondische heerschappij zich meester maken van het gezag over Holland. Het land echter had als gevolg van de strijd zwaar geleden. Hoeken en Kabeljauwen hadden afwisselend het land afgestroopt, dorpen geplunderd en platgebrand. Grote gedeelten van het land waren onder water gezet of ondergelopen, doordat het waterstelsel niet meer functioneerde.[13] Het kan haast niet anders, dat ook de bewoners van Nieuwveen de gevolgen van deze strijd aan de lijve hebben ondervonden. Dat alles neem niet weg, dat de heer Jan van Montfoort in 1475 van Nieuwveen vijftien pond uit de korenteinde en veertien pond uit de turfmaat ontving.[14]
Het afgraven van de veengronden voor de winning van brandstof voor de opkomende steden, ongeveer 200 jaar later, zal enige economische vooruitgang hebben gegeven. Maar door het onverantwoord weghalen van de laatste restjes turf d.m.v. het zgn. slagturven, in de 18e eeuw, werd de leefruimte letterlijk en figuurlijk steeds kleiner. Land verdronk en grote waterplassen kwamen er voor in de plaats.
Nu hebben onze voorouders niet alleen in Nieuwveen gewoond, maar ook in de directe omgeving ervan. Want behalve ‘Niwueveen’ lagen er nog andere ambachten in de onmiddellijke omgeving waar onze voorouders ook hebben gewoond. Daarom staan we ook nog even stil bij de heerlijkheid De Uiterbuurt. De Uiterbuurt, destijds geschreven Uijterbuurt soms ook Uijtterbuurt, was een strook land ten noorden van Nieuwveen, op de huidige kaarten aangeduidt met de naam Oosterhout. De naam Uiterbuurt is ontstaan, omdat het aan het einde, aan het ‘uiterste’ van het Ambacht van Nieuwveen en van het Graafschap Holland was gelegen, tegen ‘het Stigt van Utrecht’.[15] Een aantal van bovengenoemde plaatsen komen we tegen op een detail uit de ‘Caerte van Noorthollant’; door Joost Jansz Beeldsnijder, 1575. Houtgravure, 85 x 60 cm (kaartkader), U.B. Amsterdam:
|
|
Over de Ambachtsheerlijkheid zelf kunnen we kort zijn, het was een begrensd gedeelte land, waarover een Ambachtsheer het bestuur en de rechtspraak uitoefende, dit laatste al dan niet met bijstand van een rechtsgeleerde ‑ baljuw ‑ (in 1399-1400 bijv. viel Nieuwveen onder het baljuwschap van Rijnland). De Ambachtsheer had een aandeel in de geldelijke voordelen van het Ambacht. De Ambachtsheer was bevoegd de heerlijkheid aan iemand anders over te dragen meestal tegen een geldelijke vergoeding. De aanduiding ‘heerlijkheid’ heeft overigens niets te maken met smaak of genot. Er waren ‘lage’ en ‘hoge’ heerlijkheden. Een tot heerlijkheid geworden gebied, met beperkte rechtspraak, was een ‘lage’ Ambachtsheerlijkheid. Was het gerecht ook bevoegd tot het berechten van zware misdaden, waarop lijfstraffen en zelfs de doodstraf stond, dan was er sprake van een 'hoge' heerlijkheid. Zo'n heerlijkheid bezat een eigen galg. Het dorp Schoot (het lag halverwege de weg Nieuwveen ‑ Nieuwkoop) was zo'n ‘hoge’ heerlijkheid. Op een oude kaart van Schoot staat ‘de galgenplaats’ aangegeven. In 1724 wordt Nieuwveen door de Staten van Holland als ‘heerlijkheid’ verkocht aan de stad Haarlem voor f. 15.500,‑; in 1745 wordt De Uiterbuurt door de Ambachtsheer Gerrit Willem van der Laan eveneens overgedragen aan de stad Haarlem. Dit luidde tevens het einde in van De Uiterbuurt, want nadat eerst het aangrenzende Schoot omstreeks 1750 werd verzwolgen door het water van de door de turfafgraving ontstane plassen, ging zo'n veertig jaar later De Uiterbuurt ten onder. Nieuwveen bleef nauwelijks gespaard.
De Ambachtsheerlijkheid Nieuwveen en die van de Uitterbuurt waren overigens klein. De Inquisitie van 1369 vermeldt het aantal gezinshoofden per ambacht. In Nieuwveen werden 70 gezinshoofden geteld. Of dit gelijk staat aan 70 huizen is de vraag. Zowel in 1494 als in 1514 werd door de Graaf van Holland een onderzoek ingesteld naar de economische gesteldheid in de Ambachten van Holland en West-Friesland in verband met de herziening van de ‘Schilltaelen’, later ‘Verpondinghe’ (een belasting op huizen landerijen) geheten. Het onderzoek of Enqueste uit 1494 vermeldt 18 haardsteden voor Nieuwveen. In deze Enqueste wordt ook vermeld dat ten tijde van het overlijden van Karel de Stoute in 1477 er in Nieuwveen 10 haardsteden meer hadden gestaan.[16]
Uit een onderzoek dat in 1514 werd gedaan naar de staat van het vermogen en stand van zaken van de steden en dorpen in Holland blijkt dat de oppervlakte van Nieuwveen omtrent 350 morgen was en die van De Uitterbuurt omtrent 100 morgen. Voorts wordt gemeld dat er in Nieuwveen 13 huizen stonden en in De Uitterbuurt 9. In totaal dus 21 huizen, waarvan de bewoners (en knechten) zich nauwelijks kunnen bedruipen. Tot voor kort, zo wordt nog vermeld, waren er 28 huizen. Maar door de oorlogssituatie[17] was Nieuwveen en de Uitterbuurt in een tijdspanne van 10 jaar 7 huizen kwijtgeraakt. Hetzelfde wordt gemeld over de groep mensen die het allemaal moet opbrengen, de zogeheten ‘communicanten’, die namelijk blijkt te zijn teruggelopen van 100 naar 75.[18] Als we op grond van het aantal ‘communicanten’ een schatting maken van het aantal inwoners komen we op maximaal 300 inwoners in 1514.
In
1599, midden in de tachtigjarige oorlog, telden Nieuwveen en De Uitterbuurt
samen 105 weerbare mannen tussen 18 en 60 jaar[19].
Hiervan uitgaande zouden beide plaatsen samen ongeveer 600 inwoners hebben
gehad.
In
de 17e eeuw neemt het aantal inwoners van Nieuwveen en De Uitterbuurt
sterk toe. Zo is het zeker dat in 1623 Nieuwveen 1064 inwoners telde en De
Uitterbuurt 195, samen dus 1259 inwoners.[20]
Bij de verponding in 1632 telde men in Nieuwveen en De Uitterbuurt samen 134
huizen. Tevens wordt vermeld dat de oppervlakte is: 334 morgen, 574 roeden. Aan
belasting moet worden betaald 844
gulden, 4 stuivers en 13 penningen.[21]
In 1672 telden Nieuwveen en de Uitterbuurt samen 219 weerbare mannen tussen de
18 en 60 jaar[22]; wat neer
zou komen op ongeveer 1200 inwoners.
In 1733 blijken er echter nog maar 59 huizen te staan in Nieuwveen, Blokland en de Uitterbuurt samen, w.o. 18 bouwhuizen (boerderijen). Aan belasting moet worden betaald 196 gulden en 10 stuivers.[23] Dit wijst erop, dat het inwoneraantal dramatisch teruggelopen is naar ongeveer 500. De oorzaak van de neergang van Nieuwveen wordt verklaard door een “Memorie van de Schout van Nieuwveen, Zevenhoven en Noorden op 4.9.1733”, waarin wordt aangegeven dat het water een ernstige bedreiging vormde voor het nog overgebleven land.
Aangenomen kan worden dat er tot 1800 nauwelijks huizen zijn bijgekomen mede gelet op de 552 inwoners, die Nieuwveen telt in 1792. Het is pas in 1832 dat Nieuwveen met 112 huizen er beter voor lijkt te staan.[24]
Hoewel Nieuwveen een kleine plaats was, was er in het jaar 1640 al wel een algemene dorpsschool aanwezig, gelegen naast de uit 1559 stammende kerk in de Kerkstraat.
Overigens had Nieuwveen reeds in het begin van 14de eeuw een eigen ‘bedehuis’, zo blijkt uit een acte van 21 juli 1331, waarbij graaf Willem III “op Sinte Marie Magdalena-avond int jaar 1331” toestond “die leenacker legghende bi der kerc lane te Nuwenvene” te verkopen. In “de Oudheden en Gestichten van Rijnland”, alsmede in “de beschrijvingen van het Utrechtse Bisdom” wordt vermeld dat de kerk in Nieuwveen aan de heilige Nicolaas was toegewijd en door de Graven van Holland werd begeven. De in 1559 gebouwde kerk, die in 1578 overging in handen van de gereformeerden, is in 1831 afgebroken en daarna herbouwd in de vorm, zoals we die vandaag de dag aantreffen. De Nieuwveense katholieken gingen vanaf 1578 tot omstreeks 1866 te Zevenhoven ter kerke.
Hoe de onderlinge verhoudingen tussen gereformeerden en katholieken in Nieuwveen zijn geweest, blijft gissen. We kunnen aannemen, dat de hervorming die einde 16e eeuw zijn beslag kreeg in Nieuwveen, waardoor de Nieuwveense katholieken in Zevenhoven ter kerke moesten gaan, de nodige spanningen heeft opgeleverd. Op zondag ging het dorp weliswaar uit elkaar, door de week kon men echter niet om elkaar heen. Nieuwveen was immers, zoals we reeds vermeldden, in de 15e, 16e en 17e eeuw erg klein. In het boekje van J.C.J. Seuter[25] lezen we over de periode einde 18e eeuw, dat “naar men zegt de (katholieke) kerk (van Zevenhoven) met glimmende pannen gedekt was geworden, doch deze moeten, op aanklagt van een predikant te Nieuwveen weder verwijderd worden en door riet vervangen” . In hetzelfde boekje lezen we dat pastoor Cock (ong. 1740) “een rijk man was, die zeide als men de Roomsche kerk niet van verre mocht zien, ten minste een pastorie te willen bouwen, welke te Nieuwveen kon gezien worden. En dit plan volvoerde hij”.[26]
In de 19e eeuw kwam hierin duidelijk verandering. In de breve ‘Ex qua die’ van 4 maart 1853 verhief Pius IX de apostolische vicariaten Roermond, Den Bosch en Breda tot bisdommen en stelde noordelijk daarvan een aartsbisdom Utrecht en een bisdom Haarlem in. Dit nieuwe bisdom viel ongeveer samen met het grote aartspriesterschap Holland en de Zeeuwse eilanden en was dus veel groter dan het gelijknamige bisdom van 1559, dat weinig anders dan Noord-Holland had omvat.
In korte tijd herrezen overal in Nederland nieuwe rooms-katholieke godshuizen, ook in Nieuwveen. Een nieuwe rooms-katholieke kerk aan de tegenwoordige Dorpsstraat werd in 1867 in gebruik genomen.
3.2. DE NAAM VAN DE(R) GEER EN ZIJN HERKOMST:
In het rechterlijk‑ en weeskamerarchief van Nieuwveen en de Uitterbuurt zien we herhaaldelijk achter de naam van personen aangegeven: komend uit het Geereijnt. Dit is echter steeds een duidelijke toevoeging achter de achternaam. Met betrekking tot de achternaam van de(r) Geer ontdekten we, dat het gaat om een reeds lang bestaand achternaam. De eerste vermelding die we tegenkwamen was in het jaar 1281[27], hier lezen we: ‘DIDDIRIC VAN DEN GHERE in des borggraven gherechte VI morghen lants’. D.w.z. dat deze Diddiric (Dirk), die woonde in Calslagen, pacht moest betalen aan Graaf Florens (Floris V).[28]
Een honderd jaar later op 17 april 1384, des iersten Sondaghes na Paschedage, wordt in een Gerechtsbrief van Linsc(h)oten vermeld dat HUBRECHT VAN DEN GHEER ten behoeve van Andreis Johanszoen afstand doet van zijn recht op 10 morgen land die hij in Linschoten van het (Utrechtse) kapittel in erfpacht had.[29] Het voornoemde stuk is gezegeld met het zegel van de schout in groene was. Tevens wordt vermeld in 'Regesten van het St. Catharinagasthuis' dat op 8 april 1443 GHIJSBRECHT VAN DEN GHEERE voor de schout van Reynsterwoude, Vriesecoop en Leymuiden erkent van Sinte Katrynengasthuis gekocht te hebben 1/8 van 1/2 van 2 1/2 morgen en 1 hond land in Leymuyden en belooft aan het gasthuis hiervoor vrijwaring voor weg, watering, banwerk en ongeld. Het stuk is gezegeld met het zegel van Aernt Aerntszoon, schout van Reynsterwoude, Vriesecoop en Leymuyden[30] en luidt als volgt:
Ic Aernt Aerntszoon scout van
Reijnsterwoude, van Vriesecoop ende
van Leijmuijden doe condt allen
luijden, dat voir mij quam Ghijsbrecht
van
den Gheere ende geliede dat hij gecoft ende overgenomen
heeft van Sinte Katrijnen Gasthuijs
bij consent den burgermeesters van
Leijden ende den gasthuijsmeesters
van den Gasthuijse voir(noem)d een
achtende deel van die helft van twie
morgen lants luttel min off meer
ghelegen in den banne van Vriesecoop
streckende mitten eenen eijnde
in die Drecht vorgaende an den Vriesenwech ende heeft
belegen an die
westijnde Jan Orinxzn, am die
oestzijde Jonge Govert Iteyn, noch een
achtende deel van die helft van derdalff
(d.i. derdehalf of te wel 2 1/2)
morgen lands, verde een half hont
luttel min of meer gelegen in
den banne van Leijmuijden streckende
van den wech westwaerder
nederwaerts ende heeft belegen an
dat westeijnde Pieter Simonszn, an
die zuijtzijde Ghijsbrecht van den
Gheere zelve ende Willem Hemrixzn
ende an die noortzijde noch
Ghijsbrecht vors(eijd) zelve ende Ghijbrecht
Claeszn van den Gheer voirn(oem)d
lonede voir him voir sijnen erven
of nacomelinge den Gasthuijse van
Sinte Katrine vors(eij)t tot Leijden,
dit voirs(eij)te lant also hi dat
gecoft ende overgenomen heeft vrij
te houden tot ewigen dagen als van
wech wateringe ende banwerck
ende vont alle ongelt dat dan
vorcomen mach of te doen ende
waert zake dat dat Gasthuijs
vors(eijd) hier enigen hinder, cost of
schade bij lede ende mit recht
verwonnen worde so soude dat Gasthuijs
vors(eij)t hun verhalen ende
versien an alle Ghijsbrecht Claeszn
sinnen erven of nacomelingen goeden
die sijns ter tijt hebben of hier
namels vercrigen zullen waer die
gelegen zijn binnen steden of daer
buijten ende desen zullen sij him
niet verweren noch bescutten
mit ghenen recht hetsij geestelic of
waerlic noch mit ghenen voir den die men
dan vor vinden of vijsieren mach
alle dinge sonder argeliste hier hebben om
ende over geweest als tuge Huge van
den Were ende Willem Gerrit Janszn
in kennisse der waerheden so heb ic
Aernt Aerntszn als scout vors(eijd)
desen brief bezegelt mit minne zegel
hier an gehangen int jaer ons Heren
duijsent vierhondert drie ende veertich op ten achtende dach van Aprilles.
Het leggen van verbindingen tussen een van bovengenoemde van de(r) Geren is (nog) niet mogelijk vanwege het ontbreken van historische gegevens. Wij geven echter deze informatie, omdat ze iets zegt over het vroege voorkomen van de naam VAN DE (DEN, DER) GEER (GHEER, GHERE, GHEERE) in het gebied Nieuwveen e.o.
Over de herkomst van de familienaam VAN DE (DEN, DER) GEER (GHEER, GHERE, GHEERE) in het gebied Nieuwveen e.o. valt tenslotte te melden, dat het gaat om een zgn. herkomstnaam of toponiem. Dit is af te lezen uit het gebruik van het voorvoegsel ‘van’. Geografische toenamen van dit type duiken volgens Gysseling[31] voor het eerst eind 11de eeuw bij de adel in Nederland op. Sedert het begin van de 12de eeuw dragen dan edelen in Holland, Utrecht en Gelderland in verreweg de meeste gevallen zo’n achternaam met ‘van’, Latijn ‘de’. In veel gevallen refereerde de ‘van’-naam naar een heerlijkheid die erfelijk bezit en vaak ook domicilie van de heer was.[32] In ons geval verwijst de ‘van’-naam vermoedelijk naar het veen DE G(H)EER, dat zoals we eerder vermeldden in 1275 door graaf Florens geschonken werd aan de abdij van Rijnsburg.
Het vroege voorkomen van de familienaam (vanaf einde 13de eeuw) van de (den, der) Geer (Gheer, Ghere, Gheere) kan op grond hiervan een aanwijzing zijn dat deze familie, die zich met deze familienaam siert, oorspronkelijk van adellijke afkomst is. Daarbij dient overigens wel in aanmerking genomen te worden, dat al spoedig[33] het ‘van’ in toenamen steeds meer is gaan zinspelen op een meer algemene geografische connectie.
Het feit dat in onze ‘van’-herkomstnaam tevens het lidwoord ‘de’ opduikt, is een aanwijzing dat het bij de toponiem Geer (Gheer, Ghere, Gheere) om een waternaam gaat[34], hetgeen bevestigd wordt door wat we weten van de venen De Geer.
Opmerkelijk is het vroege voorkomen van ‘Den’ in onze familienaam en dat in 1281. Veelal wordt aangenomen dat dit bijzonder oud ogende Den-type op Nederlandse bodem releatief laat is ontstaan (16de, 17de eeuw), namelijk in het kielzog van het zogenaamde accusativisme in Nederlandse dialecten. Dit verbuigingsverschijnsel moet, zo wordt gesteld, op zijn laatst in de 17de eeuw zijn beslag hebben gekregen.[35] Het is duidelijk dat deze aanname correctie behoeft.
Zoals gezegd, lukte het ons tot nu toe (nog) niet om een genealogische verbinding te leggen tussen de Diddiric van den Ghere, Hubrecht van den Geer en Ghisbrecht van den Gheere. We kregen pas wat meer historische grond onder voeten met een zekere Willem VAN DER GHEER (geb. ong. in het jaar 1480). Hoogstwaarschijnlijk is hij de oudste voorvader van drie Nieuwveense families van de(r) Geer.
In onze optiek gaat het in de hiernavolgende genealogie om niet meer dan een verkenning, omdat de verbindingen tussen de geslachten nog te veel waarschijnlijkheden bevatten. Dit wordt vooral ook veroorzaakt door het feit dat achternamen, ook al waren ze bekend, bij uitzondering gebruikt werden in de 15e, 16e eeuw. In het midden van de 17e eeuw zien we dat het gebruik van achternamen meer gemeengoed is. In onderstaande genealogie staan als gevolg dan ook veel achternamen tussen haakjes, omdat in het historisch materiaal dat we hebben geraadpleegd het gebruik van de achternaam eerder uitzondering dan regel is.
3.3. DE EERSTE SPOREN:
Onder dit voorbehoud komen we tot de volgende Genealogie van Willem VAN DER GHEER tot in het derde geslacht:
|
|
I. Willem VAN DER GHEER, geboren rond 1480, wonende te Nieuwveen (?).
Zijn zonen bij een onbekende vrouw:
1. Jan Willemse VAN DER GHEER ook wel geschreven Jan Willemsse VAN DER
GEER, geboren rond 1510, volgt onder II‑a.
2. Dirck Willemse VAN DER GHEER, geboren rond 1510, volgt onder II‑b.
II‑a. Jan Willemse VAN DE(R) GHEER ook wel geschreven Jan Willemsse VAN DER
GEER, (vermoedelijk) ambachtsbewaarder van Nieuwveen en landbouwer, geboren
rond 1510, wonende te Nieuwveen/Uitterbuurt, zoon van Willem VAN DER
GHEER (I).
In een lijst van Ambachtsbewaarders[36] wordt Jan Willemsz in 1550 genoemd als
ambachtsbewaarder van Nieuwveen; vermoedelijk gaat het om onze Jan Willemse van der Gheer, landeigenaar in Nieuwveen.
Uit het Archief van de Staten van Holland van 1558[37] blijkt, dat Jan Willems van der Gheer bewoner is van een huis met 9 morgen (= 7,65 ha) eigen land in de
Uitterbuurt/Nieuwveen, dat getaxeerd wordt op 12 caroli gulden, tevens huurt hij 14
hond (= bijna 2 ha) land van de kerk. Hiervoor wordt hij fiscaal aangeslagen.
Letterlijk lezen we:
Jan Willems van de Gheer bewoent een
huijs met IX
margen eijgen lants getaucxeert
op XII ca. gulden
fant den Xden penning XXIIII
stuiver
Jan Willems van der Gheer heeft gehuijert
van de
kerckmeesteren XIIII hont lants voer
XI ca. gulden ende VII stuiver, den kerkck
haer
meedendeel vrij, der comt Jan voernoemt te
geven van zijn portien van
den Xden penning VX
stuiver III penningen
Over ‘DE AMBACHTSBEWAARDER’ is het volgende te melden: De ambachtsbewaarder werd als regel voor twee jaar benoemd door de ambachtsheer, vaak op voordracht van de schout. Meestal bezat de kandidaat ook een stuk grond (ingeland) en was daarmee automatisch belanghebbende bij een goed ambachtsbestuur. Het volgend jaar werd zijn ambtsbroeder aangewezen. Bij tussentijds overlijden nam soms de familie de taak over. Deze bestond blijkens de rekeningen uit het (laten) repareren van dijken, wegen en bruggen en het uitvoeren van de schouw. Veelal droeg hij ook zorg voor het inzamelen van de omslag (de aanslag in de ambachtslasten, die over de ingelanden werd verdeeld). Daarnaast fungeerde hij als verdediger van de ambachtsbelangen bij hogere instanties, zoals het Hoogheemraadschap van Rijnland of het stadsbestuur van Gouda of Haarlem.
De ambachtsbewaarders bemoeiden zich soms ook met andere zaken, zoals de financiële gevolgen van het kerkonderhoud. De "oudste" ambachtsbewaarder diende de rekening in bij de schout of samen met de schout bij de ambachtsheer dan wel rechtstreeks; de rekening werd uiteindelijk door het Hoogheemraadschap nagezien, dat hem dan, eventueel na wijziging, goedkeurde. Het overschot werd door de zittende bewaarder overgedragen aan zijn opvolger. Uit de rekeningen blijkt, dat in de loop der jaren de bestuurskosten toenemen: in de jaren voor 1600 vinden we meestal alleen rekeningen voor aanleg en onderhoud en salaris voor de schout (en, maar hoe kan het ook anders, die van de verteringen); later nemen reis‑ en verblijfkosten en vergaderkosten relatief toe. Opvallend is, dat de oudst vermelde namen meestal die van de herbergiers zijn; pas later komen schouten, secretarissen en boden bij name meer in beeld. In kleinere ambachten werd de ambachtsbewaarder (uiteraard na gebleken geschiktheid) na twee jaar niet vervangen, maar bleef in zijn functie. Ook waren er (kleine) ambachten, die slechts één ambachtsbewaarder hadden.[38]
Op 30.4. 1577 blijkt er een obligatie uit te staan ten laste van Jan Willemse van der Geer van 5 gulden en tien stuivers vanwege een schuit.[39] De tekst luidt als volgt:
Noch
een obligatie spreeckende op Jan Willemsse
van
der Geer, wonende tot Nijenweveen, inhoudende
vijff gulden ende thien stuivers ten
causte van
een schuijte van date de lesten Aprilis XV [15] ende LXXVII [77].
Zijn zoon bij een onbekende vrouw:
1. Waarschijnlijk Clement Janse VAN DE GEER, geboren op of direct na 1539 gelet op het gegeven, dat deze naam bij de plaats Nieuwveen voorkomt op een ‘Lijst van weerbare mannen van Rijnland van 1599, van boven de 18 en beneden de 60 jaar’[40], volgt onder III‑a.
II‑b. Dirck Willemse VAN DER GHEER, landbouwer, geboren rond 1510, wonende te
Nieuwveen/Uitterbuurt, zoon van Willem VAN DER GHEER (I). Uit het Archief van de Staten van Holland[41] blijkt, dat Dirck Willemse van der Gheer in Nieuwveen/Uitterbuurt een huis bewoont met 12 morgen (= 10,2 ha) eigen land, wat
getaxeerd wordt op 31 caroli gulden. Hiervoor wordt hij fiscaal aangeslagen. Letterlijk lezen we:
Dirck
Willemsse van der Gheer van der Gheer bewoent
een huijs met XII margen eijgen lants
getaucxeert
op XXXI caroli gulden
fant den Xden penning III car. Gulden 2 stuiver
Dirck was gehuwd met N.N..
Uit dit huwelijk:
1. Jan Dirckse (VAN DER GHEER) ook wel geschreven Jan Dirxsz en Jan
Dirckxz, geboren voor 1539 omdat hij niet voorkomt in een ‘Lijst van weerbare mannen van Rijnland van 1599 van boven de 18 en beneden de 60 jaar’[42], wel tekent hij als secretaris van Nieuwveen., volgt onder III‑b.
2. Willem Dirckse (VAN DER GHEER) ook genaamd Willem Dirxsz en Willem
Dircxz, geboren rond 1540, volgt onder III‑c.
III‑a. Clement Janse (VAN DE GEER), geboren op of direct na 1539 gelet op het
gegeven, dat deze naam bij de plaats Nieuwveen voorkomt op een ‘Lijst
van weerbare mannen van Rijnland van 1599, van boven de 18 en beneden de 60 jaar’[43], wonende te Nieuwveen, waarschijnlijk zoon van Jan Willemse VAN DER GHEER (II‑a).
De naam Clement Jansz komt voor op een ‘Lijst van Weerbare Mannen van
Nieuwveen van boven de 18 jaar en beneden de 60 jaar’ van 14.1.1599.[44]
Hij is zeer waarschijnlijk, gelet op het eenmalig voorkomen van de naam Clement
Jansz op deze lijst, de vader van Pieter Clementse (van de Geer).
Zijn kinderen bij een onbekende vrouw:
1. Pieter Clementse (VAN DE GEER), ambachtsbewaarder (1594,1609), geboren
rond 1560 mede gelet op het gegeven, dat deze naam bij de plaats
Nieuwveen voorkomt op een ‘Lijst van weerbare mannen van Rijnland van 1599
van boven de 18 jaar en beneden de 60 jaar’[45], wonende te Nieuwveen, overleden rond 1624, ongeveer 64 jaar oud.
In de ‘Kohieren van de Dorpen in het Ressort Leiden van 1600’[46] staat hij
vermeld onder Nieuwveen met een belastingaanslag van 20 gulden.
Op de ‘Lijst van Ambachtsbewaarders op voornaam, van 1400 tot 1700
(Deel 2)’[47], staat hij vermeld als ambachtsbewaarder van Nieuwveen en wel in
1594 en 1609.
In de ‘Kohieren van de Dorpen van het Ressort Leiden van 1600’[48] wordt hij
aangeslagen voor 10 gulden met een verdubbeling van 20 gulden (vanwege
achterstallige betaling?), waardoor hij uiteindelijk 30 gulden moet betalen.
Uit het ‘Kohier van de 200e Penning van Rijnland van 1623’ [49] blijkt dat hij 10
gulden belasting moet betalen. In het ‘Kohier van de Penningen van Rijnland van
1625’ [50] wordt vermeld dat hij is overleden.
Bij de boedelscheiding van zijn zoon Jan Pieterse VAN DE GEER, die tijdens
zijn leven getrouwd was met Catharijna Cornelisdr, wordt naar Pieter Clementse
verwezen als ‘bestevaeder’ (grootvader), met de opmerking dat hij overleden
is.[51]
2. waarschijnlijk Gerrit Clementse (VAN DE GEER), geboren rond 1570,
overleden na donderdag 15 november 1640.[52]
3. waarschijnlijk Jaepgen Clements (VAN DE GEER), Gelet op de weinig
voorkomende naam Clement kan zij heel goed een zuster zijn van
Pieter Clementse van de Geer, geboren rond 1585, wonende in het Nieuweveensche Blocklandt, overleden voor donderdag 15 november 1640[53], hoogstens 55 jaar oud.
Jaepgen was gehuwd met Thomas Ariense, geboren rond 1590, wonende te
Nieuweveensche Blocklandt, overleden na donderdag 15 november 1640[54],
minstens 50 jaar oud.
Voor meer informatie over de
nakomelingen van Clement Janse van de Geer, zie: de rooms-katholieke tak
(Nieuwveen)
III‑b. Jan Dirckse (VAN DER GHEER) ook wel geschreven Jan Dirxsz en Jan Dirckxz,
secretaris van Nieuwveen, geboren rond 1540 omdat hij niet voorkomt in een ‘Lijst
van weerbare mannen van Rijnland van 1599 van boven de 18 en beneden de 60
jaar’, wel tekent hij als secretaris van Nieuwveen , wonende in de Uytterbuurt.[55]
Hij is overleden voor 1625 omdat hij niet meer voorkomt in het 'Kohier van de
penningen van Rijnland van 1625’[56], kan verondersteld worden dat hij inmiddels
overleden is op een leeftijd van hoogstens 85 jaar, zoon van Dirck Willemse
VAN DER GHEER (II‑b) en N.N..
Gelet op het feit, dat hij woont in de Uijtterbuurt maakt het aannemelijk dat hij de
zoon is van Dirck Willemse van der Gheer, die eveneens woonachtig was in de
Uijtterbuurt.
In het ‘Kohier van de Dorpen in het Ressort Leiden van 1600’[57] staat hij vermeld
onder Nieuwveen‑Uytterbuyert met een belastingaanslag van 32 gulden.
In een belastingaanslag t.b.v. het oorlog voeren van de republiek, de ‘Ruijtergelden
van Rijnland’ van 1600[58] wordt hij vermeld als secretaris, zonder overigens te
worden aangeslagen.
Na 1600, slag bij Nieuwpoort, bleef Oostende in Staatse handen. Hierop werd het Vlaamse platteland gebrandschat door de ruiters van Prins Maurits. Spinola, Italiaanse miljonair, verschafte de Aartshertogen Albert en Isabella voldoende geld om een tegenoffensief in te zetten, dat onder meer het bevrijden van de “egelstelling” Oostende ten doel had. Na een beleg van 3 jaar (van 1601‑1604) viel de stad Oostende in 1604 alsnog in handen van de Spanjaarden. De opbrengst van het “Ruytergelt”" was kennelijk niet voldoende om het tij ten gunste van het Noorden te doen keren!
De naam Jan Dirckse (woonplaats Nieuwveen‑Uytterbuyrt) en beroep secretaris zijn indicaties, dat het gaat om de vader Dirck Janse van de Geer (idem secretaris van Nieuwveen) en daarmee ook om de vader van Pieter Janse van de Geer. (De oudste zoon trad naar de traditie van die tijd bij voorkeur in de voetsporen van zijn vader!).
Verder valt op dat zijn zoon Pieter Janse van de Geer land had in de Uytterbuyrt[59]
de woonplaats van Jan Dirckse). Daaraan kan tenslotte nog worden toegevoegd, dat
de naam Jan Pieterse, als eventuele vader van Dirck Janse en Pieter Janse van de
Geer, niet voorkomt op de Lijst van Weerbare Mannen van Nieuwveen van 1599.[60]
Waardoor onze aanname nogmaals wordt bevestigd, dat Jan Dirckse (secretaris van
Nieuwveen) de vader is van Dirck Janse en Pieter Janse van de Geer.
In het ‘Kohier van de 200e penning van Rijnland van 1623’ [61] wordt hij met 10
Gulden aangeslagen in de belastingen; uit hetzelfde 'Kohier' blijkt dat hij dan niet
meer in functie is als secretaris van Nieuwveen, secretaris is nu Dirc Jansz (van de
Geer)!
Zijn kinderen zijn (de moeder is niet bekend):
1. Dirck Janse VAN DE GEER ook wel geschreven als Dirc en Dirck Jansse,
secretaris van Nieuwveen, geboren rond 1580 (nederduits‑gereformeerd).
2. Pieter Janse VAN DE GEER, timmerman, geboren rond 1585
(nederduits‑gereformeerd).
3. Vermoedelijk Cornelis JANSE VAN DE GEER, landbouwer, geboren rond
1590 (nederduits‑gereformeerd).
Voor meer informatie over de nakomelingen
van Jan Dirckse van der Gheer, zie: de nederduits-gereformeerde tak (Nieuwveen)
III‑c. Willem Dirckse (VAN DER GHEER) ook wel geschreven Willem Dirxsz en Willem
Dircxz geboren rond 1540, wonende te Uytterbuyrt, overleden voor 1623 gebaseerd op het gegeven, dat hij niet voorkomt in het ‘Kohier van de 200e penning van Rijnland van 1623’ [62], hoogstens 83 jaar oud, zoon van Dirck Willemse VAN DER GHEER (II‑b) en N.N..
Gelet op het feit dat hij woont in de Uytterbuurt, maakt het aannemelijk dat hij de zoon is van Dirck Willemse van der Gheer, eveneens woonachtig in de Uytterbuurt.
In het ‘Kohier van de Dorpen in het Ressort Leiden van 1600’ [63]staat hij vermeld onder de Uyterbuurt met een belastingaanslag van 38 gulden, tevens wordt hij in 1600 met 12 1/2 gulden gebrandschat door de ruiters van Prins Maurits, die geld nodig hadden in hun strijd tegen Spanje.[64]
Zijn zonen bij een onbekende vrouw:
1. Jan Willemse (VAN DE GEER), ambachtsbewaarder, geboren rond 1575,
wonende te Nieuwveen, overleden na maandag 19 november 1640 dit op
grond van het gegeven, dat hij als voogd voorkomt in de Boedelscheiding van zijn
neef Dirck Janse van de Geer[65], minstens 65 jaar oud.
Op een ‘Lijst van weerbare mannen van 1599 van boven 18 jaar en beneden 60
Jaar’ [66] komt hij voor als weerbare man.
In het ‘Kohier van de 200e penning van Rijnland van 1623’ [67] wordt hij
aangeslagen voor 20 gulden.
In een ‘Lijst van ambachtsbewaarders’[68] wordt ene Jan Willemsz genoemd, die van 1637‑1638 ambachtsbewaarder was van Nieuwveen. Hij is op 19.11.1640[69] voogd over de kleinzoon van zijn oom Jan Dirckse van der Gheer, t.w. Jan Dirckse van de Geer.
Vermoedelijk is hij drie keer getrouwd geweest.
Hij had bij een onbekende vrouw 2 zonen.
Hij had bij een onbekende vrouw 3 zonen.
Hij
had bij een onbekende vrouw 3 zonen.
2. Dirck Willemse VAN DE GEER, geboren rond 1580, wonende te Uitterbuurt. Op
een ‘Lijst van weerbare mannen van boven de 18 jaar en beneden 60 jaar’ van
1599[70] wordt gesproken van Dirck Willemsz woonachtig in de Uijtterbuurt.
Hij had bij een onbekende vrouw één dochter.
3.
Leendert Willemse VAN DE GEER, geboren rond 1580, wonende te Uitterbuurt.
Op een ‘Lijst van weerbare mannen van boven 18 jaar en beneden 60 jaar’ van
1599[71] komt ene Leendert Willemsz voor, woonachtig in de Uijtterbuurt.
Voor meer informatie over de nakomelingen van Willem Dirckse van de Geer, zie: fragment van een nader uit te werken familie van de(r) Geer (Nieuwveen).
3.4. INDEX op namen (eerste sporen):
GEER
Clement Janse VAN DE (1539), II‑a‑1, III‑a.
Cornelis Janse VAN DE (1590), III‑b‑3.
Dirck Janse VAN DE (1580), III‑b‑1.
Dirck Willemse VAN DE (1580), III‑c‑2.
Gerrit Clementse VAN DE (1570), III‑a‑2.
Jaepgen Clements VAN DE (1585), III‑a‑3.
Jan Willemse VAN DE (1575), III‑c‑1.
Leendert Willemse VAN DE (1580), III‑c‑3.
Pieter Clementse VAN DE (1560), III‑a‑1.
Pieter Janse VAN DE (1585), III‑b‑2.
GHEER
Dirck Willemse VAN DER (1510), I‑2, II‑b, III‑b, III‑c.
Jan Dirckse VAN DER (1540), II‑b‑1, III‑b.
Jan Willemse VAN DER (1510), I‑1, II‑a, III‑a.
Willem Dirckse VAN DER (1540), II‑b‑2, III‑c.
Willem VAN DER (1480), I, II‑a, II‑b.
zonder achternaam:
N.N., II‑b, III‑b, III‑c.
Thomas Ariense (1590), III‑a‑3.
[1] Archief Abdij van Rijnsburg, Charter inv.nr. 258,
NA.
[2] De latijnse tekst luidt:
NOS FLORENTIUS
COMES HOLLANDIE TENORE PRESENTIUM
RECOGNOSSIMUS
PROTESTANTES QUOD NOS IN REMEDIUM ANIMARUM
PROGENITORUM NOSTRORUM CONTUM
HOLLANDIE ET SI MONASTERIO DE
REINSBURG FORSAN ALIQUOD
DEBUIMUS EX LEGATIS QUE SIBI A NOSTRIS
IN EXTREMIS LEGATA FUERUNT IN
OMNIUM ORUM RECOMPENSACIONEM
EIDEM MONASTERIO OMNEM TERRAM
VENENSEM QUE VULGO GERE
VOCATUR IURIS CALVESLO ALSMAR
ET VISENEPRO IACENTUM IN MERUM
ALLODIUM ET IN IUS
PROPRIETATIS DAMOS CONFERIMUS ET LIBERALITER
ASSIGNAMUS ........
[3] Afkomstig uit het OAR
[4] Etymologisch gaat het bij het woord “geer” of
“ghere” om een spits toelopende strook land, boezemgat, schuin toelopend pand
in een kledingstuk of zoom. Zo kennen we in het
oudhoogduits géro “spies”, in het middelhoogduits
gére “spits toelopend stuk goed of landstuk”, in
het oudfries gára “pand van een kledingstuk, schoot”, in het angelsaksisch gára “driekantig stuk
goed”, in het germaans gaizau “spits toelopend voorwerp” (Franck’s
Etymologisch Woordenboek der Nederlandse Taal, 2e druk door N. van
Wijk, ’s-Gravenhage, 1919-onveranderde herdruk-1976). Kortom het woord “geer”
duidt niet alleen een strook land aan dat aan één of meer zijden schuin loopt.
Het kan ook de betekenis van spies, spits toelopend voorwerp of werpspies of spiets hebben. Vatten we de twee betekenissen
samen, dan kunnen we het woord “geer” als volgt omschrijven: “een voorwerp of
een stuk land in vorm overeenkomende met het driehoekige, spitspuntige ijzer
van een geer of werpspiets” (Woordenboek der Nederlandse Taal, bewerkt door M.
de Vries e.a., ’s-Gravenhage, 1889). In de wapenkunde is een “geer” een
driehoekig vak, waarvan de basis tegen de rand van een schild is geplaatst
[5] Archief Abdij van Rijnsburg, Charter inv.nr. 259,
NA.
[6] A.D.A. Monna, De bezittingen van het Leidse
burggraafschap, Groningen 1976, p. 82 wijst er in dit verband op, dat men
bij ontginningen de diepte van de stroken uitdrukte in voorlingen, dit komt
overeen met zes meter; als oppervlaktemaat met een halve morgen. Zes voorlingen komt daarbij het meeste voor, maar bij Calslagen, Vriezekoop,
Rijnsaterswoude en Ter Aar vindt men twaalf voorlingen.
[7] Bij vergelijking van de afstanden op de oude
kaarten met moderne topografische kaarten blijken deze systematisch iets groter
uit te vallen; een kleine bijstelling van de oppervlakte van het gebied naar
ca. 300 ha. ligt voor de hand.
[8] Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr. 1649, tussen 1264 en 1291.
[9] Simon van Leeuwen, Handvesten en Privilegien
van den lande van Rijnland, 1667, p. 354-356.
[10] Ontleend aan Willem Heyting, Van Stichtse
ontginning tot dorp in het Groene Hart in Zevenhoven het dorp dat bleef,
Zevenhoven 1989, p. 19. Voor meer inhoudelijke informatie met bronvermelding
over de belastingregelingen van Albrecht van Beieren en zijn zoon Willem VI
zie: J.A.M.Y Bos-Rops, Graven op zoeken naar geld, uitgegeven door de
Historische Vereniging Holland, p. 382, 383, 389.
[11] F. van Mieris, Groot Charterboek Graven van
Holland IV.D, p. 418, N.A., bibl.nr. H 22 – D – 4.
[12] Jacoba was in deze strijd in haar nadeel. Zij had
wel edellieden van naam als Jan van Montfoort, die Jacoba tot opperbevelhebber
benoemde e.a. aan haar kant staan, maar moest deze(ongelijke) strijd uiteindelijk verliezen van Filips de Goede.
[13] Verg. Gerlof Verwey, Geschiedenis van
Nederland, Levensverhaal van zijn bevolking II, Amsterdam 1996 (5e druk),
p. 17-20.
[14] Aldus Antheun Janse, Ridderschap in Holland,
Hilversum 2001, p. 145, die verwijst naar “Archief Graven van Holland” 877, f.
62.
[15] Ontleend aan L. van Ollefen, De Nederlandsche
Stad – en Dorp Beschrijver, 1798.
[16] De gegevens m.b.t. de ”Inquisitie” en de “Enqueste” zijn ontleend aan de
Kadastrale atlas van Nieuwveen en Zevenhoven 1832, deel 14, p. 21
(uitgegeven in 2001 door de Stichting Kadastrale Atlas Zuid-Holland). N.B. In
de periode van 1477-1483 leefden de Hoekse en Kabeljauwse twisten weer op.
Hoekse benden hadden zich in 1481 zelfs meester gemaakt van de stad Leiden,
waaruit ze slechts met grote moeite werden verdreven (ontleend aan: P.J. Blok, Geschiedenis
van het Nederlandse volk I, p. 469, Leiden 1923). Dat Hoekse benden ook in
Nieuwveen en omgeving op strooptocht zijn geweest, valt af te lezen uit de
Enqueste van 1494, alwaar de verarming wordt toegeschreven aan
“brantschattinghe, brant pilgeringe (plundering) die hun by desen laetsten
oorloge gheschiet is.”
[17] In het begin van de 16e eeuw werd Holland geteisterd door
vijandelijke invallen oftewel rooftochten van de kant van Gelre. De hertog van
Gelre, Karel van Egmond, die regeerde van 1492-1538, was namelijk in een
regelrechte strijd verwikkeld met Karel V, die aanspraak maakte op Gelre.
Gesteund door zijn veldheer Maarten van Rossum bestreed hertog Karel zijn
machtige naamgenoot aanvankelijk met veel succes. Hij bezette tijdelijk
Friesland, Groningen en Overijssel en drong met steun van de Franse koning
zelfs in de westelijke Nederlanden door.
[18] Zie: Informacie up Den Staet Faculteyt Ende Gelegentheijt Van De Steden
ende Dorpen van Hollant ende Vrieslant [gedaen in den jaere MDXXIV (1524)],
Leiden, 1866. Hieruit blijkt tevens dat de Nieuwveners hun inkomsten verwerven
uit het delven van turf en het houden van eendenkooien. Ook onderhouden de
Nieuwveners een kade. Het gaat om een waterweg die naar Amsterdam loopt (de
dijk tussen Amsterdam en Spaarndam valt erbuiten). Daar zijn klaarblijkelijk
ook wat inkomsten aan verbonden.
[19] Lijst van Weerbare mannen van Rijnland, OAR, inv.nr. 9479.
[20] Zo blijkt uit het “Hoofdgeld van Nieuweveen en De Uitterbuurt”,GAL, Stadsarchief
II, 501A, inv.nr. 1223-1252.
[21] NA, archiefnr. 3.01.29, inventarisnr. 586A, p.6. (Het betreft een
verzamelstaat, waarin van alle steden en dorpen van Hollandt en Westvrrieslandt
alleen het aantal huizen en de oppervlakte wordt vermeld.)
[22] Lijst van Weerbare Mannen van Rijnland, OAR, inv.nr. 9486; deze lijst met
weerbare mannen werd opgesteld, omdat de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog was geraakt met de bisdommen Keulen en Münster en met
Engeland en Frankrijk.
[23] Het Qohier, of Gaderboek
der Verpondingen van 1733, NA, archiefnr. 3.01.29,
inventarisnr. 534, no. 30.
[24] Ontleend aan de
Kadastrale atlas van Nieuwveen en Zevenhoven 1832, deel 14, p. 21.
[25] ‘De Parochie van St. Jan te Zevenhoven’, Haarlem,
1897, p. 7.
[26] Ibid., p. 14.
[27] Archief Graven van Holland, Leen en Registerkamer,
inv.nr. 706 <LRK 5.fo 46v >NA.
[28] Aldus A.D.A. Monna, a.w., p. 81,82.
[29] Ontleend aan: Bijdragen voor een Oorkondenboek van het
Sticht Utrecht; Regesten van het Kapittel van St. Pieter, bewerkt door Mr. S. Muller
Fz., 's Gravenhage 1891, blz. 99, 560, zie: bibliotheek GAL, inv.nr. AB 1008 (oorspr. inv.nr. was 463).
[30] Zie: Inventaris van de archieven van de
Gasthuizen te Leiden, St. Catharinagasthuis, GAL, inv.nr. R.519.
[31] M. Gysseling: Overzicht over de Noordnederlandse
persoonsnamen tot 1225 (=Anthroponymica, 16), Leuven/Brussel 1966, p. 19v.
[32] Zie: R.A, Ebeling, Voor- en familienamen in
Nederland, Geschiedenis, verspreiding, vorm en gebruik, Centraal Bureau voor
Genealogie, ’s Gravenhage 1993, p. 108.
[33] In de loop van de 12de eeuw dringt het gebruik van geografische namen ook door tot de boeren van het platteland. De boer krijgt dan als toenaam de naam van zijn woonplaats of zijn boerderij, verg. M. Gysseling, a.w., p. 20.
[34] R.A, Ebeling, a.w., p. 111.
[35] Ibid, p. 110.
[36] OAR, Leiden, inv. nr. 5957.
[37] NA inv.nr. 1048.
[38] Ontleend aan: Genea-Rijnland, Leiden n.a.v. een
samengestelde lijst van Ambachtsbewaarders van 1400 tot 1700.
[39] Zie: ONA, notaris Salomon Lenaertsz van der Wuert, no. 6, blz.
180 GAL.
[40] OAR, Leiden, inv.nr. 9479.
[41] NA inv.nr. 1048.
[42] OAR, inv.nr. 9479.
[43] Ibid.
[44] Ibid.
[45] Ibid.
[46] GAL, inv.nr. 1882r vl 9.
[47] Bijeen gesprokkeld uit verschillende bronnen van
het GAL en OAR te Leiden door de Werkgroep Genea-Rijnland, Leiden.
[48] GAL, inv.nr. 1882r vl 9.
[49] GAL, inv.nr. 4524.
[50] GAL, inv.nr. 4526.
[51] Zie: WA, Nieuwveen van 11.8.1640.
[52] Dit blijkt uit de WA van Nieuwveen van 15.11.1640
(Boedelscheiding van Thomas Ariens en Jaepgen Clementsdr), waar hij
vermeld wordt als voogd over de kinderen van zijn overleden zus Jaepgen.,
minstens 70 jaar oud.
[53] Ibid, alwaar
ook de woonplaats wordt vermeld.
[54] Ibid., hier wordt ook de woonplaats vermeld.
[55] OAR, Leiden nr. 9479.
[56] GAL, inv.nr. 4526.
[57] GAL inv.nr. 1882r vl 9.
[58] OAR, inv.nr. 3259.
[59] 'Boedelscheiding Pieter Janse van de Geer', WA Nieuwveen dd. 11.8.1641.
[60] OAR, inv.nr. 9479.
[61] GAL, inv.nr. 4524.
[62] Ibid.
[63] GAL 1882r vl 9.
[64] Zie: 'Ruijtergelden van Rijnland', OAR inv.nr. 3259.
[65] Zie: WA, Nieuwveen van 19.11.1640.
[66] OAR 9479.
[67] GAL,inv.nr.4524.
[68] Bijeengesprokkeld door Genea-Rijnland, Leiden
[69] Zie: WA, Nieuwveen Boedelscheiding van Dirck
Janse van de Geer van die datum.
[70] OAR, inv.nr. 9479.
[71] Ibid.